“Normaal”

20140720-165233-60753834.jpg
nor·maal (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord)1volgens de regel; gewoon: hij is niet normaal niet goed bij zijn hoofd; normaalgesproken gewoonlijk (bron:vandale.nl)

Ik ben niet normaal. Mijn beste vrienden zijn niet normaal. Ik ben daar blij mee. Sommige mensen om mij heen hebben er moeite mee. Ik noem bijvoorbeeld een aantal mensen op de sportschool die er niet over uit kunnen dat ik tijdens het sporten (tussendoor) een boek lees. Mensen die het erg spannend vinden dat ik niet rond mijn vijfentwintigste ben getrouwd en aan kinderen ben begonnen. Die het erg raar vinden dat om elf uur ’s ochtends afspreken vroeg voor mij is. Ach jullie weten hoe ik daar over denk.

Lees verder ““Normaal””

“Normaal”